I.M. Arrie van Berkel
"Dan fietste ik dus elke dag tweemaal langs jouw huis. Je hebt me vast gezien."
Arrie bleek in zijn jonge, Rotterdamse jaren dagelijks over de Pleinweg te hebben gefietst, waar ik als kleuter het verkeer bekeek. Hij werkte – zo vertelde hij graag – als 'bellboy' bij de Holland Amerika Lijn.
Een jongen van de gestampte pot.
Dat was wel duidelijk.
Toen ik hem jaren later, begin jaren '80, als docent voor het vak Schriftelijke Communicatie in Organisaties had, kwam hij gedurende het semester ongeveer tweemaal langs. Het eerste college om aan te geven dat we zelf 'zware theorie' moesten toepassen op een zelf-gekozen tekst. Hoe die 'zware theorie' eruit zag liet hij graag zien: hij had een Amerikaans artikel in zijn hand en zwaaide er dreigend mee. Het was hier geen HBO.
Een jongen van aanpakken.
Dat was wel duidelijk.
Weer later zou ik – net een paar maanden docent – naast Arrie de parallelgroep SCiO geven maar er was niets: geen materiaal, geen boek, behalve nog steeds, dat ene artikel. "Prima!", riep hij, toen ik had uitgelegd welk idee ik had, "Maak het maar, ik geef wel commentaar".
Ik vroeg collega Titus Ensink om advies, want Arrie zag ik niet meer.
"We hebben tegenwoordig docenten die geen enkele wetenschappelijke kwaliteit in een vak leggen", sprak hij tijdens een Afdelingsvergadering toen de colleges begonnen waren, wijzend op onze syllabus. Een woedende Ensink schoot mij te hulp, ik was sprakeloos van schrik.
Een man van de strategie.
Dat was wel duidelijk.
Na vergaderingen gingen we naar café Bakker. Arrie was er ook de overige dagen. Na een borrel ging ik met wat collega's eten, Arrie bleef in het gezelschap van hoge bestuuders in het café. Toen ik met collega Bax na de maaltijd terugfietste, besloten we nog één glas bier te drinken, in café Bakker. Daar stond Arrie nog steeds, achterin. Hij keek ons aan alsof we net teruggekeerd waren van een reis aan Mars. "Wim, Marcel!", klonk het. Wij keken en zagen niets.
Daarna zagen we Arrie opgetild worden door een van de gasten. Zijn enthousiaste zwaai naar ons had hem uit zijn evenwicht gebracht.
Een man van stavast.
Dat was wel duidelijk.
Arrie nam afscheid van het werk tijdens een etentje. "Ik stelde altijd zware eisen", zo sprak hij in een beschouwing over zijn werkperiode aan de RUG. "Zeer zware eisen. Dat vinden studenten niks dus gaan ze naar andere docenten. En… ", hij keek ons even over zijn bril aan, "ik heb de computer in de wetenschap geïntroduceerd. Binnen communicatie is door mij serieus naar computercommunicatie gekeken."
Een man met een toekomstvisie.
Dat was ons al langer duidelijk.
Arrie klopte op mijn kamerdeur en ging zitten. Ik schreef nog even een stukje commentaar af en keek naar Arrie, want ik hoorde gesnik. Arrie zat te huilen. "Het gaat niet meer Wim, ik kan het niet meer. Ik weet niet hoe ik verder moet met het werk. En ik ben ziek."
Ik zei dat het nog wel ging, ik suggereerde wat verbeteringen. Ik zei niet "Dat klopt Arrie, het is allemaal uit je handen geglipt. Je had soms best goede ideeën, maar de drank kwam ertussen. Je werk werd gedaan door je collega's en studenten werden de dupe. Dat hebben we allemaal zien gebeuren. Jij ook. Het had nooit zover mogen komen".
Een man met een probleem.
Dat was ons allemaal al heel lang duidelijk.
"Onze oud-collega Arrie van Berkel is overleden", zo las ik in de mail. Arrie was op vakantie in Kos en overleed, zo begreep ik, aan hartfalen in zijn slaap.
Een man met een verleden is overleden.
Dat is duidelijk.